Als


Hij vond het bevredigend iemand over hem te horen praten in zichzelf, iemand die bij wijze van spreken vóór hem stond, tussen hem en de oneindigheid, en die hem afhield van de ontzagwekkende stilte rondom. Iemand die nooit zei dat hij nu eens vooraan moest gaan staan, omdat dat wel zo hoorde. Gelukkig niet, want voor zoiets schrok hij terug. De kosmische koude van al die vragen die opdoemen aan de rand van het leven, waar het ophoudt en waar de zin vervliegt zonder antwoord, die mocht hij niet. Iemand over hem te horen spreken in gedachten voelde veilig en kalmeerde, zoals zijn hond, die ook niet aan hem vroeg wat hij niet had. Maar op een nacht verdwenen de gedachten over de rand van zijn wereld en stak het monster van de afgrond de kop op. De muil van duisternis sperde zich voor hem open. Hij stond er alleen voor. Hij ontdekte dat hij de woorden alleen nog los kon lezen, ´losse´ ´woorden´ kon hij lezen, ´losse woorden´ niet. Hij keek naar gedichten, naar woorden die hem opvielen. Niet in de volgorde waarin de woorden stonden, maar hier en daar. Zo zocht hij naar verbanden, verbanden tussen losse woorden. Zonder betekenis te ontdekken. Zonder dat wonderlijke moment nog te kennen waarop vleugels in zijn hoofd functioneerde als vleugels.