Wij dichten u een grafplaat toe, een steen zo zwaar als lood met zelfverzonnen wapenschilden. Wij dichten u een ridderlijke helm en gestileerde bloemen toe, deskundig uitgehouwen (alsof u imker was of bang voor stekels). Wij dichten u een aardig kapitaaltje toe, een tonnetje of wat in eeuwenoude guldens. Wij dichten uw gelaat geen al te fijne trekken toe, meer ouwe-jongens-krentenbrood, want anders had u zich het nabestaan wel anoniemer voorgesteld, met minder ijdeltuiterij, uw knekels stil ontdaan van de bederfelijke praal.