| toon 3 reacties
Negende toneel; Oude slaapplaats
Ofschoon ik de volgende dag opnieuw in de kerk met de gids had afgesproken moest ik verstek laten gaan. Een moderne ziekte had mij kennelijk direct bij aankomst getroffen en kluisterde mij dagen met koorts aan bed. Aan één stuk door zag ik aan de balk in de hoek van de kamer een man met een zwarte kap over het gezicht, voorover hangend aan een touw dat handen aan voeten bond. Het koortsbeeld putte mij zó uit dat ik zelfs de kracht niet had om mij te verontschuldigen bij mijn gastheer, aan wiens christelijke deugden ik mij door de nood gedwongen had moeten overgeven. In de weken daaropvolgend herstelde ik licht, en ben ik begonnen te gaan wandelen. Eerst ‘s nachts, op zoek naar de loop van oude wegen en rivieren, en om in alle rust een begin te kunnen maken met de vorming van mijn persoon. Langs de oevers, in armen van water, hoopte ik verloren herinneringen terug te vinden, maar het weinige dat ik nog vast had in mijn geheugen raakte door het stromen van de tijd uit mijn greep. Door het opgaan van de zon werd mijn nachtkaart gewit. Op een schoon doek tekende mijn geest in tegenlicht hoog overkomende draden, waartussen de stad zich spande en koest hield als een oude spin. Als het even stil bleef kon ik het web horen sissen, en bekroop mij de sensatie dat ik de tijd zelf zou kunnen aanraken, als ik mijn vinger eenmaal leggen kon op wat nu precies ‘de stroom’ is waarover het hier gaat. (Wordt vervolgd)