Een wonderbaarlijke terugkeer (1)


Eerste toneel: Overleden zielen langs de oever van de overzijde van de Styx. Vanaf enige afstand kijkt E, een zekere veelschrijver en dichter, op deze scène neer.

Uit het licht van hier groet ik u, lotgenoot. Vrede en wijsheid wens ik u, liefst zonder omhaal van woorden, want maakt ene wijze van zwijgen zalig dan deze, die alles ín en voor zichzelf kenbaar maakt, van aangezicht tot aangezicht. Toch, o wonderbaarlijke terugkeer, wens ik het spreken niet geheel te verleren, wellicht uit weemoed naar wat geliefde argumenten, of uit verlangen naar welsprekendheid, ik weet het niet. In ieder geval onttrek ik mij bij gelegenheid soms aan de stilte van de hemelse stad en keer ik graag terug naar de oever van de Styx, waar de veerman Charon afmeert, om de overledenen aan de eeuwigheid over te dragen. Vanaf enige afstand geniet ik van de aanschouwing van de allerhartelijkste begroetingen en verwelkomingen, die de doden door hun stralende naasten doorgaans ten deel vallen, en verheug mij op een kans, al is het maar voor even, te worden opgenomen in een posthumaan gesprek. Want hoewel ik weet dat niemand, zonder zich er vrolijk om maken, luidop zou kunnen staande houden dat zwijgen zaliger is dan spreken, spreken hier, met stomheid geslagen, de doden, en blijft het mij ten diepste verbazen én ontroeren dat de mensen, eenmaal ter bestemde plekke aangekomen, na verlost te zijn van hun gebreken, om zich over het wonder te uiten, juist teruggrijpen naar woorden, waaraan zij bij leven geklonken waren, en waarmiddels zij elkander doorgaans zo weinig verstonden. Zoals ook spreekt uit het nu volgend verhaal, dat de muzen mij inbliezen toen ik daar eens aan de oever stond. (Wordt vervolgd)