Fulica atra


Gouda – De meerkoet is van oorsprong een moerasvogel. Zijn poten zijn geschikt om te lopen op drijvende vegetatie en op de wortels van riet en lissen. Ze hebben eigenaardige zwemvliezen. Elke teen draagt aan weerszijden een flap. Bij een achterwaartse beweging gaan de flappen wijduit staan. Wordt de poot naar voren bewogen, dan klappen de flapjes dicht. Meerkoeten duiken veel. Ze kunnen dertig seconden onder water blijven en tot zeven meter diep duiken. Hun voedsel bestaat uit waterplanten, gras, kleine visjes, waterinsecten, slakken en wormen. Op het voorhoofd van de meerkoet zit een wit schild, de bles. Een meerkoet wordt 35 tot 40 cm groot en weegt een kleine negenhonderd gram. Vroeg in het voorjaar bepaalt de meerkoet zijn territorium en verdedigt dat aggressief tegen indringers. Mannetje en vrouwtje bouwen samen aan het nest. Ze broeden om beurten en brengen samen de jongen groot. De jongen verlaten het nest al na een paar dagen. Het zijn dan grappige zwart-donzen bolletjes met een rood kopje. Na acht weken zijn de jongen zelfstandig. Een meerkoet wordt gemiddeld tien jaar oud.