Het had geijzeld


Ik was kleuter en stond voor het raam. Het had geijzeld. Voor de slagerij stond de vertrouwde wagen met twee paarden. Hoe het kwam weet ik niet, maar langzaam begon de kar op zijn ijzeromrande wielen te schuiven. Naar de waterkant. De paarden schraapten met hun hoeven wat zij konden. Tevergeefs. Traag tuimelden zij met wagen en al over de rand. Een tijdje later gleden brandweermannen te water, gekleed in duikerpakken, om de dieren los te snijden. Daarna duurde het eindeloos voor de paarden zich bij de stenen trappen aan de overkant uit het water lieten trekken. Het werd donker, ze werkten uit alle macht tegen. "Die worden afgemaakt," zei een stem achter mij. Rond het tentdoek van de vleeswagen dreven bleke halve mensen, langzaam richting kippenbrug.