Onze kat


Onze kat is dood. Hij at en dronk niet meer na een operatie, en bleef de laatste tijd in zijn mandje op ons bed. Dokter Roos kwam in de namiddag op de fiets met twee spuitjes. We zeiden dat we ons ermee hadden verzoend, maar dat was natuurlijk niet zo. Zijn leven had ons immers aangekeken, hoe konden we hem dan afstaan? Geknield naast het bed diende de geneesheer de doseringen toe, en vouwde daarna de voorpootjes onder het koppetje, omdat hij dacht dat het misschien zo hoorde bij dieren die gaan slapen. In de huiskamer dronken we koffie met hem, en spraken over het mooie vak van dierenarts. Nee, hij hoefde Dopperwtje niet in een zak mee te nemen op de fiets, wij zouden hem later wel komen brengen in het mandje. Nu lopen we wat versuft door het huis, ruimen zijn spulletjes op, bellen een paar mensen, en praten troostende woorden tegen de andere poes, die overblijft. De dood is laf van aard, vanuit het donker tikt hij ons aan. We krabbelen op, we willen gaan staan, maar met zijn staart steekt hij ons neer, waarna we inzakken en hij zijn hak zet in onze nieren, en in ons hart. Zonder hem ooit in het gezicht te zullen zien gaan we af.