Uit de sluis


In haar sas fietste het grietje
de trappers van het karkas.
Haar voorwiel slingerde hachelijk,
ontzaglijk kraakte haar vork.

Dat moest wel gruwelijk misgaan,
maar waarom precies op die plek. 
Bij knarsen van remmen en spaken
vergleden de banden spontaan

op Belgische hardsteen: de rand.
Het kind kon gelukkig goed zwemmen,
klom hand over hand op de kant
droop huilend en rillend op huis aan.

Het rijwiel ging onder in modder,
verviel in het duister tot wrak.
't Kind zelf is al moeder geworden,
dan staat daar ineens het restant.