Als vuurtoren


Ik ben het loodswezen van mijn kabelgast, zijn lichtboei en kompas. Stralend als vuurtoren verhoed ik dat hij op de klippen loopt. Zijn hoeren en snoeren in verre havens is voorbij, het losgeslagen passagieren heeft voor mijn pikbroek afgedaan. Toch blijft het laveren. Staat zijn hoofd naar Heineken, dan zoek ik een terras.