Wanneer ik me verlaten wil
houdt zij mij nimmer tegen,
en als ik thuiskom, moe en onverbeterd,
vraagt zij nooit hoe het daarbuiten was.
............................................................................
Evenwel op binnenwegen
dekt de ziel mij ziende toe,
en warmt mijn doden weer tot leven.
Ik zou haar namen moeten geven;
............................................................................
Vreemde Gast, Ongeboren, Bruid.
Maar ongepast zijn zulke woorden,
alle namen raken prompt verloren