Blijf binnen (2)


Wanneer ik me verlaten wil

houdt zij mij nimmer tegen,

en als ik thuiskom, moe en onverbeterd,

vraagt zij nooit hoe het daarbuiten was.

............................................................................
Evenwel op binnenwegen

dekt de ziel mij ziende toe,

en warmt mijn doden weer tot leven.

Ik zou haar namen moeten geven;

............................................................................
Vreemde Gast, Ongeboren, Bruid.

Maar ongepast zijn zulke woorden,

alle namen raken prompt verloren

ook de mijne wist zij door te witten uit.