Van een mens
draak (m.; draken) [<Lat.
draco (slang, draak) <Gr. drakön],
1 fabelmonster, verschrikkelijk om aan te zien, voorgesteld als een gevleugelde, vuurspuwende slang, of als een geschubd dier met een kam, twee of vier klauwen, een spitse tong en een lange staart (gewoonlijk als bewaker van schatten, heilige plaatsen enz.):
bekend is de voorstelling van St.-Joris met de draak; (uitdr.)
de draak steken met iem., hem voor de gek houden, tot een voorwerp van bespotting maken; (uitdr.)
met alle voorschriften de draak steken, er zich vrolijk over maken, ze niet opvolgen; (uitdr.)
op de draak jagen, opium roken:
bij het vale licht van walmende lampen drinken de rokers hun thee en jagen de dromers op de draak (Stoute);
2 (als versieringsmotief vooral uit China bekend (Chin. 'loeng')) Chinees schip met een draak in het zeil of anderszins:
Ik speur op zee zo menig draak, En strandwaard houdt een deel (Hofdijk), vgl. draak (5);
3 (biol.)
vliegende draak (
Draco volans), soort van Indische boomhagedis;
4 (gew.) vlieger (1);
5 (zeilsport) zeker type van kieljacht met torentuig;
6 lastig, onuitstaanbaar mens, al of niet met gedachte aan lelijkheid:
een draak van een mens;
die oude draak is nog verliefd!;
7 (veroud., studentent.) hospita;
8 toneelstuk, film of boek met veel melodrama en effectbejag, syn.
spektakelstuk;
9 wat zeer lelijk in zijn soort is:
een draak van een hoed.Uit: Van Dale, deel A-I