Mantra


In naam van de liefde versteend en verdord, in godsnaam beklinkerd met paden. Uit goedheid geroest en verdoemd tot de tuin, vanwege de mythe met stekels. Omwille van trouw tot de dood ondervoed, ter ere van wat ook verpieterd. Voor vrede gekapt en verzaagd tot ontzet, om hemels geluk bij de grond afgestoken. De wrede natuur zeer verschillig geweest en met het geloof niet gebroken.