Van mening


Moet je altijd kunnen zeggen wat je denkt? En als iemand al in staat zou zijn altijd te zeggen wat hij denk, moeten er ook altijd luisteraars zijn, om het aan te horen? Want hoe ver strekt onze vrijheid van meningsuiting als er niemand is die luisteren wil naar wat wij zeggen te denken? In ieder geval zijn we de getuigen van wat we zelf denken, en hebben we het recht onszelf te beluisteren in eigen hand. Laten we daar gemakshalve van uitgaan, want over degenen die niet in staat zijn zichzelf juist te beluisteren hebben we het hier liever niet. Nee, we gaan uit van mensen die een bewuste en oprechte nieuwsgierigheid hebben naar wat er in hen omgaat, en zich voldoende geoefend hebben in het articuleren, zodat zij de ander op een redelijke manier kunnen duidelijk maken hoe zij tegenover een of ander vraagstuk of denkbeeld staan. Iets dat als een mening herkend kan worden. Of wordt er nog iets anders bedoeld met ‘moeten kunnen zeggen wat je denkt’? Dan gaat het waarschijnlijk om het recht uiting te mogen geven aan wat men voelt. Het onuitgesproken recht op vrijheid van gevoelsuiting. Hier moet ik als beeld afstand van nemen. Aan wat ik denk heb ik als beeld op een gespleten sokkel voorlopig meer dan genoeg. Mijn mening is, dat we de grenzen van de vrijheid van meningsuiting, ongeacht of er een wet is die er iets over zegt, in de eerste plaats onszelf hebben af te vragen. Wat heeft het voor zin dat voor anderen te bepalen. Zelf zeg ik nooit wat ik denk, tenzij ik het opschrijf, maar altijd iets anders, omdat ik immers een cultuurmens ben onder de anderen, en voor mezelf houd wat onuitspreekbaar is. Ben ik voor wat ik bij mezelf denk uitgehouwen in steen, of word ik gehuldigd om wat ik uitspreek? God, die ook het zwijgen van de ziel meeweegt, mag het zeggen.