Geloven in Gouda (42)


Anne Rina Roodijk

Ik had er de nacht al doorgebracht, en ook overdag had ik me er schuilgehouden, samen met de spoken van mijn lichamelijke ongemakken zoals spier-, en gewrichtspijnen, pijn in de maag en brandende ogen. Ik voelde me grieperig en had honger, maar ik had geen zin om naar buiten te gaan. Laat in de middag was ik zittend in mijn deken tegen de muur in slaap gevallen toen ik plotseling werd opgeschrikt door de binnenkomst van twee mannen. Hoewel ze de schrik in mijn ogen moeten hebben gezien sloegen zij geen acht op mij. Alsof ze hier thuis kwamen in dit lege, vervallen huis. Ze namen plaats op twee van die krukjes die hier overal staan, en verroerden zich nauwelijks. Vlak na hen kwamen nog andere mannen en vrouwen binnen, als enkelingen, soms ook als paren. De begroetingen waren kort en afgemeten, en bleven soms ook uit. Zo vulde zich in de loop van een kwartier de ruimte. Sommige bezoekers zaten op de krukjes, anderen hadden plaatsgenomen op de kale, houten vloer, of stonden geleund tegen de muur. Het leek of zij wachtten op de komst van iemand, maar na verloop van tijd, toen er niemand meer bij kwam, begreep ik dat zij voltallig waren. Dit was hun bijeenkomst. Zwijgend kwamen zij bijeen, terwijl de tijd verstreek en de schemering langzaam bezit nam van de locatie. Wat overheerste was de stilte, die scherper en helderder waarneembaar werd hoe meer wij er naar luisterden. Ons ademen, de wind die door kieren en gaten tonen floot, halfdode boomtakken die de houten panelen tegen de ramen bekrasten, het krakende leven van dit aan zichzelf overgelaten huis, buiten het piepen van vogels, iemand met lege flessen achter in zijn tuin, een rammelende sleutelbos, het openen en sluiten van een deur, een opgewonden hond met zijn snuit in een vuilniszak, twee korte sisklanken van zijn baas, en soms een auto, die wel omhoog leek te gaan in plaats van voorbij. En ik had mij reeds verzoend met de gedachte dat niemand iets zou verklaren, en dat deze mensen weer zouden weggaan zoals ze gekomen waren, toen iemand uit het midden ongemakkelijk op zijn kruk begon te schuiven en na wat snurkgeluiden, alsof hij uit een droom ontwaakte, luid en duidelijk riep: Anne Rina Roodijk! De naam galmden als een klok in onze geesten rond. Onweerstaanbaar begonnen we de naam voor onszelf te herhalen, eerst binnensmonds en toen hardop; Anne Rina Roodijk, Anne Rina Roodijk. Een vervolg was er niet. Na een paar minuten waren de klanken bestorven, en stapten enkele bezoekers op. Vrij snel daarna verdwenen allen, en bleef ik alleen achter.