Een beeldenroute (12)


Van rechts en ongezien

Als ik het lage, ijzeren tuinhek linksom naar binnen opendraai, valt mijn oog rechts op een merkwaardig beeld dat door z’n schutkleuren bijna opgaat in de beplanting, maar onmiskenbaar de indruk wekt een Christusbeeld te zijn. De herkenning gaat niet uit van het gezicht, niet van een op het kleed gedragen bloedend hart, niet van de doorboorde handen; het beeld heeft niet eens handen, wat voor mantel moet doorgaan is zowat een voddenbaal, en het hoofd, zie ik na nogmaals kijken, ontbreekt zelfs geheel. Nee, het is de houding van de laag afhangende gespreide armen, en eigenlijk alleen de baal herfstkleuren draperie die de indruk wekt dat hier de man van smarten staat verbeeld. Maar verbeeld? Want het ding lijkt nauwelijks met artistieke opzet gemaakt, maar door iets toevalligs ontstaan. Het lijkt een verschijning. Zoals soms door vrome lieden in sluimerstaat in een vochtvlek de gedaante van de Maagd wordt gezien. Iets in het midden tussen wat het is en wat een kijker er van maakt. Een zie-de-mens. Een natte, stijve lap om wat eigenlijk niet is. Of toch één moment daarmee in evenwicht, zodat ik mijn armen spreiden kan en iets mag voelen, iets mag zijn, in Godsnaam iets, iets van hart en pijn.