Dat pikken we niet


In de achter ons liggende jaren van welvaart is onder het gesternte van een terugtredende overheid een gemeentedefensieapparaat ontwikkeld dat tot in de fijnste mazen is afgesteld op irritatie, agressie, diefstal en andere schoftenstreken. De ambtenarij is in de periode waarin de welvaartstaat zich doelbewust vervreemdde van de samenleving gescherpt en opgevoed door psychoten en boeventuig. Je merkt dat onmiddellijk bij iedere werkelijkheidssituatie die een fractie afwijkt van de geblinddoekte werkelijkheid van de ambtenaar, op het moment dat alle goden van tafel worden weggejaagd en alleen de moloch van de juristerij tegenover je plaatsneemt. De slijperij is zo scherp afgesteld om het gespuis buiten de deur te kunnen houden, of eenmaal binnen in het gareel, dat ondertussen ook welwillende burgers aan het systeem niet zelden een arm of een been moeten afstaan, ja zelfs hele hoofden raken verloren in de juristenreservoirs van de overheid. Zoals een dichter daartegen ten strijde het formuleerde; ‘ik verdraag het gewoonweg niet dat mensen onbewust blijven in mijn ziel‘. In de huidige crisis doet, hopelijk niet te laat, een ander soort intellect een beroep op de diensten van de overheid, en eerlijk gezegd weet de overheid niet goed hoe zij zielen moet plaatsen die geen wet overtreden, zich vriendelijk gedragen en hun uiterste best doen om nog een stukje kaas op hun brood te krijgen. - Vormgeving is altijd de spreekbuis van de onderlaag van het denken, en van het ongezegde, en in overheidspropaganda staat zij per definitie sprekend voor aap, - om in de stijl te blijven van hiernaast aangetroffen kunststuk, dat ter mensentemming is gemonteerd langs de trappen naar het hogere bij het werkbedrijf. Zowel het dier als de mens wordt hier schandalig tekort gedaan. Gelukkig kan de taal voor zichzelf opkomen. Die hoor je in zulke situaties steeds vaker op fluistertoon: ‘Zou het dan toch mogelijk zijn! Deze mensen in hun reservaten hebben nog niet ervan gehoord, dat de overheid dood is!’