( … ) Ik onderstel iemand, veroordeeld voor zijn geheele leeven tot de gevangenisse, iemand, dien door deeze fententie alle banden, alle betrekkingen met ’t menschdom zijn afgesneeden. Ik onderstel, dat deeze gevangene van ’t dak ziet gevallen een, hem onbekend, kind in de ijzere pennen voor de traliën van zijn kerker wiens pijnelijk wringen hij kan zien, wiens gekerm hij kan hooren, en ik vraage, of hij de vrijheid heeft, om doof te zijn voor boven gezegde instinct; of hij meester is, om niet pijnelijk aangedaan te worden door dit ongeluk, of ’t aan hem staat niet te wenschen, dat het schepzeltje afgeholpen wordt van de pennen, of hij kan nalaaten welvergenoegd te zijn, zich te verblijden, wanneer dit schaapje gered wordt. (Doker Van Woensel, alias Amurath-Effendi, 1800)