Het gesprek
en toen zei jij
en toen zei ik
je hebt nog maar 30 jaar te leven
de jaren vliegen voorbij
je bent domweg gelukkig
totdat je beseft:
30 jaar
je moet nog iets nuttigs doen
iets in een groter verband
iets volbrengen
zei jij
zei ik jou
je familie niet laten zitten
met een huis vol nutteloze spullen
we zeiden:
weg ermee