De dichter


Herfst
een bladgeblazen trompetter schalt door de straten een koele tocht met gevallen bladeren verzamelt een veelheid gekleurde krullen houtsnippers vuur kachel fijnstof adem in het raam op een kier als sneeuwvlokken dwarrelen vogels uit bomen vallen op het tapijt een snorrende kat met snorharen snaren je probeert erop te kauwen woorden te maken met je kaken als waren het brokken bemoste steen en de zin van de zin van de zin van leven in weelde de miezer voor lief