In de barbarij
Europa was in de barbarij van de vroegste tijden teruggevallen. De volkeren van dat werelddeel, die hedentendage zo verlicht zijn, leefden een aantal eeuwen geleden in een nog beroerdere toestand dan die van onwetendheid. (..) Er was een omwenteling nodig om de mensen weer het gezonde verstand bij te brengen; dat kwam uiteindelijk van een kant waar men het het minst van had verwacht. Het was de domme muzelman, de eeuwige gesel van de letteren, die bij ons voor de wedergeboorte van het gezonde verstand zorgde. De val van de troon van Constantinopel bracht de wrakstukken van het oude Griekenland naar Italië. Vervolgens verrijkte Frankrijk zich met die kostbare overblijfselen. Weldra werden de letteren door de wetenschappen gevolgd; bij de schrijfkunst voegde zich de kunst van het denken; een opeenvolging die vreemd lijkt, maar die wellicht maar al te natuurlijk is; en men begon het voornaamste voordeel in te zien van de omgang met de muzen, dat de mensen meer sociabel maakt door hen met het verlangen te bezielen om elkaar, door middel van daden die hun wederzijdse goedkeuring droegen, te behagen. (Jean-Jacques Rousseau, 1750)