Zijn hele gedrag


Laten we eens naar een kelner kijken. Hij beweegt zich kwiek en vol ijver, een beetje té precies, een beetje té snel, hij loopt met iets te kwieke tred naar de cafébezoekers toe, buigt zich iets te nadrukkelijk voorover, zijn stem, zijn ogen drukken een iets te gedienstige aandacht voor de bestelling van de klant uit en wanneer hij terugkomt, probeert hij in zijn manier van lopen de onbuigzame stramheid van een of andere automaat na te bootsen, draagt zijn dienblad met de onverschrokkenheid als van een koorddanser, zet het neer in een voortdurend wankel en voortdurend verbroken evenwicht, dat hij voortdurend met een lichte beweging van arm en hand herstelt. Zijn hele gedrag komt op ons over als een spel. (…) Een kind speelt met zijn lichaam om het te verkennen, om het te inventariseren; de kelner speelt met zijn toestand om die te realiseren. (Jean-Paul Sartre, 1943)