Vrijelijk


Ik ben omdat ik mezelf rijkelijk schenk. De geliefde aderen op mijn hand bestaan uit goedheid. Wat goed van mij dat ik ogen, haren, wenkbrauwen heb en ze met een tomeloze vrijgevigheid onvermoeibaar en overvloedig schenk aan dat niet aflatende verlangen dat de ander zich vrijelijk doet zijn. Terwijl we ons, voordat we werden bemind, ongemakkelijk voelden over de ongerechtvaardigde, niet te rechtvaardigen uitwas die ons bestaan was; in plaats van ons 'te veel' te voelen, voelen we nu dat dat bestaan tot in zijn geringste details is overgenomen en gewild door een absolute vrijheid waarvoor het tegelijkertijd de voorwaarde vormt – en die wijzelf samen met onze eigen vrijheid willen. Dat is de grond van de liefdesvreugde, wanneer deze bestaat: ons in ons bestaan gerechtvaardigd voelen. (Jean-Paul Sartre, 1943)