Noodlot


Van alle stralen die des noodlots lamp
over mijn hoofd strooide, ongezien der liefde vlam,
was één alleen mijn liefde onbehoorlijkheid,
stond ik alleen in onmacht voor des priesters kleed,
zijn lange tabberd en... Nooit zal ik beschrijven kunnen ongezien,
handwringend en armkronk’lend om te drukken hoogste wonne uit,
‘geef mij licentie, geef mij de ring’ riep ik als maar,
maar toen het afgelopen was,
liepen we in de hemel, wonnekronkelend,
in de wolken boven ons aardse paradijs
en ik slingerde mijn arm wonnekronkelend,
ik jazz in jazz en lift en lopend op- en nederwaarts,
toen slingerden wij van het toneel.
   Ik mijn arm om haar slanke middel
   en dat was niets.
Juichend met armen onder ‘t stormachtige geraas.
(J.C. Noordstar, 1983)