Een wonderbaarlijke terugkeer (10)


Tiende toneel: Oude slaapplaats


Wat stroom is leerde ik van mijn gastheer, wat het is om erin te leven leerde ik door ondervinding. Charon had gelijk over het steeds sneller veranderen van de tijd. Hij had me in een wereld onder stroom gebracht. Aanvankelijk, als erdoor gebeten, verlamde het leven mijn denken en droomde ik over. Onafzienbare, kleurrijke rijen beelden, rookgetallen, plantenvogels, fabeldieren, voerden mij naar een afgrond waarboven, in een besloten soort daglicht, een heldere ster bleef staan. De stip van mijn verlangen. Zonder woorden, alleen geleid door de zekere stem die zich achter mijn zwijgen verborgen houdt, wist ik mij gericht. Werd ik aangesproken in de ware zin, en boven mij uit, als nieuw geborene opgeheven in een schaal van licht. Vol droombegrip zag ik een wereld dagen. Luisterde ik naar hen die er onafgebroken spraken. Werd ik door het weten omgeven als de vissen door het water. En werd ik een vis op het droge zodra ik ontwaakte in de wereld van alledag. Ik schreef een korte brief aan mijn gids, die ontvangsten en discussies voor mij wilde regelen, waar ik liever onderuit kwam. Waarde vriend, ik ben nog steeds herstellende van mijn aanlanding en lig lange dagen op bed, ik slaap veelal en droom daarbij. Als ik wakker ben flakkert de tijd in het kleine lichtvenster naast mijn bed, en verschijnt in het glas de gehele wereld, die mij aanspreekt en aanspoort, maar die onbevattelijk lijkt voor antwoorden. Ik verlang iets te zeggen maar vind de woorden niet. Dat ik leeg ben zie ik in als ik lees. Wie zegt mij of ik wakker ben of droom? Vaarwel. (Wordt vervolgd)