Vrouwenraad


Eerst moeten we zorgen voor aanzien en prestige. En die liggen voornamelijk in onze uiterlijke verschijning. Die wordt vandaag-de-dag zó verwaarloosd, dat je nauwelijks nog onderscheid ziet tussen een dame van adel en een vrouw uit het volk, een echtgenote, een meisje en een weduwe, tussen een fatsoenlijk gehuwde en een lichtekooi. Alle gevoel van schaamte is zover de wereld uit, dat iedere vrouw zich maar aanmatigt wat ze wil. Men kan tegenwoordig vrouwen uit de burgerklasse, ja zelfs uit de laagste stand zien, die zich kleden in zijde, in sleepjaponnen, bebloemd, gestreept, van fijn lijnwaad, met goud- en zilverdraad doorweven, ja met sabelbont, terwijl intussen hun mannen thuis schoenen zitten te lappen. (...) En geen van hen is zó laag van geboorte dat zij er tegenop ziet alle kunstmiddeltjes van edelvrouwen aan te wenden. Het had de vrouwen uit het volk voldoende moeten zijn om schuim van jong bier of vers aftreksel van boombast, of andere goedkope middelen te gebruiken. Karmijn, blanketsel en overige fijne verfstoffen zouden ze behoren over te laten aan voornamere dames. (Erasmus van Rotterdam, z.j.)