Voor niets (1)


De avond daalt in grijs en blauw. De huizen strekken zich verhit bemerkend dat de dag verflauwt. Uren van kilte en rust breken aan. Nog even en damp wolkt los van de grond, morsig vocht dat samenkolkt, dons dat bij ochtend een mos vormt, een krimpfolie van dauw. Hoe helder de gevels ook schitteren, het is vertoon, gedoe voor nop. De nacht kruipt omhoog, het donker volgt gauw.