Walging


Ik bleef doodstil zitten, zo stil als ik maar kon, (...) Al die voorwerpen... Hoe moet ik het zeggen? Ze hinderden me. Ik wilde dat ze op een minder opdringerige, minder nadrukkelijke manier, abstracter, ingetogener hadden bestaan. (...) Alle dingen gaven zich willoos, weerloos over aan het bestaan, zoals kwijnende vrouwen soms toegeven aan hun behoefte om te lachen en dan met verstikte stem zeggen: ‘Lachen doet een mens goed!’ - de dingen stonden breeduit tegenover elkaar, ze biechtten elkaar het verwerpelijke feit op dat ze bestonden. Ik begreep opeens dat er geen tussenweg was tussen niet-bestaan en deze weemakende overdadigheid. Als je bestond, moest je bestaan tot op dat punt, tot aan de verschimmeling, het zwellen, tot aan de obsceniteit. In een andere wereld behouden cirkels, melodieën, hun zuivere, strakke lijnen. Maar het bestaan is een aftakelingsproces. (...) Al het bestaande voelde zich onzeker, angstig, zonder te weten waarom, en overbodig ten opzichte van de rest. (...) Bestaan is er zijn, meer niet, het bestaan verschijnt, het laat zich ontmoeten, maar afleiden kun je het nooit. Sommige mensen hebben dat, geloof ik, begrepen. Maar ze hebben geprobeerd om die contingentie de baas te worden door een zijn uit te vinden dat noodzakelijk is en oorzaak van zich zelf. Wel, geen enkel noodzakelijk zijn kan het bestaan verklaren: de contingentie is geen valse schijn, geen uiterlijkheid die je kunt wegvagen; het is het absolute, en dientengevolge volmaakt vrijblijvend. Alles is vrijblijvend, het park, de stad en ik zelf. Als het moment gekomen is dat je dat gaat beseffen, duizelt het je en begint alles te zweven, (...) (Jean-Paul Sartre, 1938)