Verkwist het


1morsen (morste, h. gemorst) [hangt wel samen met vermorzelen], 1 (onoverg.) vuil wezen, met vuiligheid knoeien, syn. kladden: wat zit je weer te morsen; 2 (overg.) door achteloosheid laten vallen en daardoor iets bevuilen: pas op, je morst op je vest; wie heeft er koffie op het kleed gemorst?; 3 (onoverg.) met iets morsen, er knoeierig mee omgaan: het kind morst met zijn eten; (fig.) hij morst met zijn geld, verkwist het; 4 (onoverg.) (fig.) in het klein iets verrichten (m.n. in de handel).

Uit: Van Dale, deel J-R