Toch een ander


kroost znw. o., sedert de 17. eeuw. Zou met den dial. vorm op t van kroos I identisch kunnen zijn: voor de bet. vgl. dan kriel. Maar ’t 17.-eeuwsche kroos(t) o. "gelaatstrekken, familietrekken", dat bezwaarlijk van ons kroost te scheiden is, maakt veeleer een grondbet. "geslacht" waarschijnlijk. Mogelijk identisch met Kil. "kroos. Fland. j. wasdom. Incrementum, lucrum, foenus" (< ofr. croist, van croistre > lat. crescere "groeien"; reeds mnl. en nog vla., ook in den vorm kroost)?. Dan zou de bet. "gelaatstrekken" secundair zijn of in deze bet. zou kroos(t) toch een ander woord zijn. (N. van Wijk, 1936 [1912], Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal)