Goden


GORDIJNEN

.

Zij waren tot gordijnen benoemd

om aan de kamers te vertellen,

wat buiten in de grote lucht gebeurde.

Hoe daar op wielen werd rondgezoemd,

wat zich daartussen liet vergezellen

en hoe dat mensenvlees dan geurde.

Ze vertelden de kamers ook van het licht,

waarin geen mens vermag te wonen;

hoeveel schoner het is dan een gezicht

en hoe haast zo mooi als tonen.

Gordijnen hebben nu eenmaal veel tijd,

zich te bezinnen op een schijn van eeuwigheid.

.

Ode aan Witten - Pierre Kemp, De incomplete luisteraar 116