Laatste groet


Was ik niet de rechter van was, en was ik niet onkreukbaar? Was ik niet voor de hoop hagelwit en bont het altaar, de richter voor de verdraaide vouw, de verwrongen plooi, de gekrengde patronen? Was ik niet de heler van het gecrepeerde goed? En stond ik niet achter kast of deur stijf in het gelid en immer bereid mij te voegen naar de zinnen van het keurig gezin? Herinner je de warmte die ik behield, de geuren die ik verloste uit linnen, nylon, zijde, wol, katoen. Bood ik toen mijn rug niet aan vrouw én man die steun op mij zochten? Waren mijn diensten ooit uit te vlakken voor zij uitgingen met elkaar? Ik stak me in hun kragen, mouwen, pijpen, onder rokken, en kraakte zachtjes in de kamer door de hits heen en het nieuws. De klikken van het ijzer in de houder, de teller van hun vlijt, het blijft stil. En al camoufleer ik mij en zoek ik beschutting, de muur neemt mij niet op, de bak kan mij niet bergen, en in zakken pas ik niet. Ik kreeg de kleren, en niemand in zijn gestreken goed brengt nog een laatste groet.