Van een saaiheid


Niets deugde er. Het plaveisel was zo, dat je schrok om uit te gaan; in de straat kwam je meer koeien en katten tegen dan mensen en meer lummels en pummels dan heren en dames. Het leven was er van een saaiheid, waar haar mama zich geen voorstelling van kon maken en ging ze eens uit, dan dankte ze de hemel zodra weer t'huis was. Ze had Japie gebeden en gesmeekt al het mogelike te beproeven om weg te komen en Japie had gezegd: dat gaat maar zo gemakkelik niet. Bovendien, als ze me burgemeester maken, dan begrijp je levendig, dat het in een gemeente zal zijn, die zeker niet beter is. (Marcellus Emants, 1901)