Premiejacht


Haar struikgewas verstokt, ontkleurd van tak, verdroogt tot brekens haar verknipte tengels, in beide weer en weerwil tanig als het zakkend houtwerk voor de deur. Haar tere woning zwijmt tot ik haar stapelgek van mij een polis met een brede dekking bied bij hooguit achtpunts eigen onheil. Hoe schuins marcheert dit slimme assurantiewezen overhellend tot haar liefdesvuur, hoe dor en dwars verlekkert de verzekeraar zijn mondhoek, krult van scheur tot groentebed en schroeit heur schuur bij bosjes.