Bodemspoor


De zee aan lekkerbek en tong gesleten, de vlaggen met de kramen opgedoekt. Het ijs gesmolten van garnalen tegen prikjes, harderwijkers haast voor niks. De ongebakken wijting op elkaar gevlijd in piepschuim kratten, verweekte moten die vanavond plankjes zijn. Tien lege emmers uitgespoeld en tot een torentje gestapeld. De vislucht uitgedrupt een bodemspoor dat tot de ochtend blijft.