Kopstem


Wat valt te vrezen dan de moed der wanhoop en een schorre keel. Mij kwellen opgefokte kittens. Mijn leed is valser, lager, hondsbrutaal. Mijn wil heerst sterker dan jouw ochtendlijke dutten. Ik huil me gek, vergeet mijn eer, betuig mijn drift tot paren. Ik schuimbek, spuug, verkweel de uitgeloogde stem, bevlek mijn bleke haren. Wat ochtendziek, wat longkoliek - mijn huig, mijn tuig, mijn tanus.