Wel zes paar


Om onze vlammen wat van kant te leien,/ gaat mijnen Engel bij mij zitten breien,/ om niet te walgen van het dag'lijks hemels-brood,/ voor mij alleen gedist in haar verliefde schoot;/ om eens te krijgen met gespaarde kusjes,/ de hele eigendom van mijne lusjes,/ om mijne dart'le min te houden in haar macht,/ en dat ik nooit mijn vuur op vreemde haard en bracht./ En dat ik, ouwe kruiser, niet zou haken/ te zeilen als tevoorn op vreemde baken,/ en dat ik niet, door d'een of d'ander dwarse lust,/ mocht keren schaloos op haar goddelijke kust./ Ik zie haar werk als 't rijpe koren groeien,/ en doe haar wang in 't eerlijk purper gloeien,/ als ik zeg dat mij dunkt dat zij haar kousjes breit/ voor 't kindje dat nog niet in wieg of luren leit./ Die erelijke dageraad verdwenen,/ helpt zij mijn matte leên weer op de benen,/ en zegt mij: ging haar werk op mijnen gladde staf,/ zij maakte op een dag wel zes paar kousen af./ Daar slaat voorts d'ene dartelheid op d'ander,/ daar raken wij zo smaak'lijk aan malkander,/ als immer van te voor, hoewel ik onbedacht,/ met een verwoede min mijzelve had verkracht,/ nadat ik acht zo droef gedoken dagen/ moest buitenshuis verraders lakken dragen,/ en, weer op vrije voet, scheen als in 't wild gevoed/ en tot een jaarlijks vuur gelijk een leeuw gemoed./ Ah! Engeltje, vergeef mijn stoute grillen,/ gij gingt mij met mijn eigen sabel killen./ 'k Beken: gij hebt gelijk, ah! wildbraad van mijn saus,/ het bruien en de eer, als 't breien van een kous. (M.v.M. Hr. van Cl., 1651)