Tegenzin


Het leven van een luchtkasteel begint als papzak in een lusteloze pose. Een veldje op de belt verschaft het lamme vel maar juist genoeg geboortegrond om levensadem op te doen, om voor zijn blozend vaatstel het benodigd vuur te inhaleren. Het koekoeksjong wil het terrein niet af. Het ziet ertegenop zich te verheffen als een bol, als lobbes van de Tobbe op te stijgen. Het haat zichzelf te dik, te opgeblazen, park en achterblijvers dom verkleind te zien, om onder kreten van verbazing log de hemel af te drijven als een kwal.