Geestelijke goederen


Inderdaad kunnen wij uit de zintuiglijke waarneming heel goed afleiden hoezeer wij bij de beoordeling van onze geestelijke vermogens door waanvoorstellingen bevangen worden. Als wij namelijk midden op de dag naar de grond kijken of naar de dingen die zich om ons heen aan het oog voordoen, vinden wij dat we een bijzonder sterk en doordringend gezichtsvermogen hebben. Maar als we omhoog kijken naar de zon en die met wijd open ogen gadeslaan, wordt dit vermogen, dat op aarde tot zulke voortreffelijke prestaties in staat was, meteen door de intensiteit van het zonlicht aangetast en van zijn kracht beroofd, zodat we moeten erkennen dat de scherpe blik die wij hebben bij het beschouwen van de dingen op aarde, volkomen in zijn tegendeel verkeert waar het de zon betreft. Zo gaat het ook bij de beoordeling van onze geestelijke goederen. Zolang we namelijk niet verder dan de aarde kijken, zijn we heel tevreden met onze eigen gerechtigheid, wijsheid en kracht; we koesteren ons er heerlijk in en we vinden onszelf bijna halfgoden. (Johannes Calvijn, 1559)