Van binnen


Van binnen is vreemd te vertellen. Over als je net binnen komt wel het vreemdst. Wat een geschenk, de ogen te kunnen sluiten. Zijn er lippen die zachter kussen dan het duister dat op je ogen drukt? En de oneindigheid die je zoekt, tot vermoeienis toe over grenzen, in verre oorden, op zeetoppen, bergen, vind je plotseling als in een wijde omarming, als je het hoofd ter offerande legt. We vragen elkaar er niet naar. De belevenissen van het heen gaan in de innerlijkheid blijven onbesproken. Welke zijn ook de objecten daar binnen, waarnaar we kunnen verwijzen, als we erover spreken? Het is alsof het innerlijk niet behoort tot de wereld. Terwijl het juist de wereld is waarin we het meest thuis zijn. Waar we alles kunnen denken, alles kunnen vinden, alles kunnen voelen, - in een ander soort tijd, die niet wordt beschenen door de zon. Laatst gebeurde er dit toen ik was gaan rusten: rechts boven me (maar het was geen plaats in de kamer) was een attractor. Ik voelde me opgetrokken in een richting schuin rechts boven. Er trad een kleine verschuiving op, die me in een staat van geluk bracht. Na even realiseerde mij dat ik vergeten was. Ik wist niet meer waar ik was, ik wist werkelijk niet meer in welke kamer, in welk huis, waar ter wereld ik was. Ik wist zelfs niet meer wie ik was. Niet wat ik deed, niet wat ik had gedaan, niet wat ik moest doen. Ik had een buitenheugelijke ervaring. Het duurde even, en ik was niet bang. Langzaam voelde ik mij weer dalen en opgenomen worden in mijn normale staat, en kwamen mij weer te binnen één voor één de dingen, waar ik was en in welk leven, wie ik was, en wat ik deed. Mooi was dat. Er eens even helemaal uit zijn, kan ook slaan op wat we weten.