Aankondiging


'Niet wat is, maar wat zal zijn, moet worden gezegd. En liefst kort en bondig, zodat je niet onnodig wordt opgehouden. Je wilt verder, je wilt in de aankondiging iets tegemoet zien. Maar op de avond van de aankondiging volgen de aankondigingen elkaar op, zonder gevolgd te worden door gebeurtenissen. Zodat, na de eerste aankondiging, iedere aankondiging het gebeuren is van de vorige. En wij blijven wachten, wetende dat er niets van komt. Iemand zou er iets over moeten zeggen. Misschien vinden we eigenlijk dat dingen die beginnen, een aanvang hebben en moeten worden aangekondigd, niet waarachtig zijn. Welke waarachtigheid wacht immers op zijn beurt? Wat let welke waarachtigheid om waar op te wachten? En terwijl ik dit aankondig speelt zich dit af, waar ik op wijzen wil, wat hier aanwezig is, zonder dat het nog wordt gezien. Het gebeuren is al onder ons, het moet alleen worden aangekondigd, worden herkend. Het moet worden benoemd om te kunnen worden gezien en begrepen. Aan de aankondiger de taak om het nog-niets te benoemen. Het niets dat aanwezig is. Zoals de lucht. De lucht is het aankondigen waard. Zeker lucht in beweging, als wind, als geest die waait waarheen hij wil. De lucht als adem. Adem als oproer. Iedereen die het voor elkaar krijgt lucht in dichte systemen te blazen, en meehelpt aan het ontwikkelen van schuim, verdient een rokertje, wat mij betreft. Hoe meer er niets in vaste volumes wordt ondergebracht, hoe meer lucht tot leven komt, en min of meer het blauw in je hoofd. Aanwezigen, ik kondig beroering van de lucht aan. Oproer, opklop, wolken. Schuim.'