Geloven in Gouda (38)


Ietsjes hogers
.

De gelovenbeschouwer in het voorbijgaan, gewend aan het bonte exposé van goden en halfgoden waar gelovende mensen voor stilvallen, kan even vreemd opkijken wanneer het religieuze instinct van mensen, in plaats van op hogere wezens, doelbewust op lagere wezens wordt geprojecteerd, met name dieren. En we hebben het hier niet over die merkwaardige gevoelsvorm bij mensen, die hen ingeeft dat de dieren moeten worden beschouwd als gelijken, een gevoelsidee dat heimelijk steunt op vermeende superioriteit, en kan ontaarden in een dubieus activisme; we hebben het hier over een waar geloof in dieren. Mensen die in dieren geloven kunnen bevreemding wekken, net als mensen die in goden geloven overigens, maar ze worden in ieder geval niet getroffen door de kritiek dat zij vertrouwen stellen in niet bestaande zaken. Dieren zijn net zo tastbaar en aanwezig als de mensen die erin geloven, en van zweverigheid kan de in dieren gelovende mens niet worden beticht. De oorzaak van de bevreemding ligt besloten in de tragische structuur van de menselijke taal, die een verkeerd beeld oproept over de begrippen hoog en laag. Staan sterren niet onafzienbaar laag, beneden ons? Wat rond is en voor volmaakt wordt aangezien kan net zo goed saai en stom heten, en wat zich in onstuitbare vuren uitbrandt kan in plaats van voorzienig ook blind genoemd worden Maar wie in de ogen van zijn dier kijkt, en geen woorden nodig heeft om die blik te beantwoorden, kan in een openbaring inzien, dat in het zwijgen van het dier een macht aanwezig is, die onze harten kan treffen, ons kan troosten, ontroeren en inspireren. Door de aanblik van een dier kan een mens zich naar een plaats verwezen voelen, die voordien buiten zijn bereik lag. Een buitenmenselijke plaats, maagdelijk en onbedorven. Wie dat eenmaal heeft ervaren houdt zijn dier hoog, ietsjes hoger dan de tafel waaraan we eten en drinken, op onze toekomst.