Een wonderbaarlijke terugkeer (13)


Dertiende toneel: Aantekeningen van de gastheer.
 

Kleine lezing over iemand die er niet is.
 

Het is wel buitengewoon om samen te wonen met iemand die zó afwezig is als hij. Niet dat hij onzichtbaar is, zich verstopt, zich stilhoudt of zich seniel gedraagt, integendeel; hij heeft zijn eigen ‘leerstoel’ in huis, zoals hij het met veel humor noemt, zijn eigen bedoening, en praat soms wel honderduit, want zijn verstand mag er wezen. Nee, zijn afwezigheid heeft geen betrekking op zijn verschijning en voorkomen, evenmin op zijn invloed op de directe omstandigheden. Zijn afwezigheid heeft meer te maken met het verschil tussen de positie die hij inneemt, en de plaats die wij de wereld noemen. Hij is, of lijkt, vanuit ons alledaags begrip, volstrekt wereldvreemd, vreemd aan de wereld en vreemd aan de tijd waarin wij leven. Vreemd aan de wereld waar wij onze zorgen aan ontlenen. Actualiteiten lijken geen invloed op hem uit te oefenen, zijn geest wordt geen moment aangestuurd vanuit een wereldlijke gebeurtenis. In die zin zie ik hem nooit op iets reageren. Zijn bijdragen aan de omstandigheden lijken altijd vanuit een authentieke, autonome geest voort te komen. Hij bevindt zich in zijn eigen wereld, in zijn eigen eindeloze tijd, en alleen door met hem samen te leven en met hem in contact te blijven wordt het verschil tussen zijn positie en die van ons langzaam maar zeker duidelijker. Denk overigens niet dat hij een supermens is, je zou hem moeten zien, zo buitengewoon kwetsbaar als hij kan zijn. Maar probeer hem niet te betrekken bij één van je persoonlijke drama’s. Ga niet met hem in discussie over iets waar je zelf eigenlijk ook niets van af weet. Met zijn virtuoze logica haalt hij je onmiddellijk uit je rol, en weet hij je van je zaak te ontzetten. Redetwisten met hem eindigt steevast in iets hilarisch. Op een keer moest ik van hem mijn hoofd afzetten en het opwerpen. Het werd licht, de kamer verdween. Daar zag ik ineens wie hij werkelijk was, niemand, of iemand opgenomen in een stroom van eindelijk eens iets wat er toe doet, iets dat helder is. Hij is de val die ik opzet voor als ik thuiskom. Telkens weer, ik leer het nooit.’ (Wordt vervolgd)