Geloven in Gouda (37)


Uit de greep

 

Het bestaan van een god die over mensen oordeelt en het bestaan van de menselijke persoon over wie geoordeeld wordt betreft een zelfde soort bestaan. Het wordt door een zelfde soort denken gedacht, dit bestaan. Valt in dat denken het bestaan van zo‘n god weg, dan valt na verloop onherroepelijk ook het bestaan van de eigen persoon daarin weg. Het (opgeven van) geloof in een werkelijk bestaande god is onlosmakelijk verbonden met het (opgeven van) geloof in het eigen bestaan. Niet dat het leven ophoudt wanneer een bepaalde manier van denken over wat bestaat anders wordt ervaren, de wereld en het natuurlijk bewustzijn bestaan onafhankelijk van denken en geloof. Alleen in het zelfbewustzijn vindt de verandering plaats, in de manier waarop het bewustzijn zichzelf leert kennen en beoordelen. Godsoordelen hebben ook inderdaad alleen maar betekenis als zij een begrijpelijk oordeel zijn, als de beoordeelde mens in wezen instemt met het oordeel dat over hem komt. Een onbegrijpelijk godsoordeel kan geen zin hebben. Alleen begrijpelijke godsoordelen hebben zin en betekenis, daarom zijn godsoordelen zelfoordelen, en ontwikkelen zij zich in gunstige zin in transcendente richting, in een richting die zich, vanuit een natuurlijk, onkritisch bewustzijn gezien, uit de greep van het aanschouwelijke beweegt, en van daaruit zou kunnen worden aangezien voor dehumanisering en godloochening.