Een wonderbaarlijke terugkeer (11)


Elfde toneel: Oude slaapplaats


Over huis werd ik een voorouder, teruggetrokken en vertrouwd, vrij mij met weinig zaken te bemoeien, en alles lief te hebben met heel mijn hart en heel mijn verstand, zolang ik mij hield aan de voornaamste deugd der geestelijke ommekeer alles wat mij tegenstond gelaten te verdragen. Stil aanwezig was ik, waarnemend geest, als de tijd zelf met zijn geheim alleen. Tot op zekere dag de gids in opgewonden stemming voor mijn deur opdook. “Hoor, de Sirenes! “, begon hij: “We worden geroepen, je zult niet meer kunnen onderduiken. Je zult naar buiten moeten treden en moeten zeggen waar je voor staat.“ Het leek of de dood zelf door de gids gesproken had. Of de dood zijn hand naar mij uitstrekte. Ik deinsde achteruit. Buiten viel een regengordijn over de laatste kier licht van de dag. “Ik heb nagedacht en mijn besluit staat vast“, verzekerde mijn gids. “Overtuig me ervan dat mijn tijd beter is dan die van jou, dat er vooruitgang is, want de tijd van heden verdraag ik niet langer, en ik wil je houden aan je belofte aan Charon gedaan, voor mijn overtocht te betalen. Laat dan de veerman mij komen halen, ik heb recht op een natuurlijke dood.” Maar ik wilde met hem niet gaan en daarbij, ik had het geld nog niet om zijn terugkeer te betalen. (Wordt vervolgd)