Geloven in Gouda (16)


Afvalligheid

.

Iedere gelovige ziet zijn geloof als een oog dat naar hem kijkt, waar hij ook is of wat hij ook doet. Dit is, zolang het geloof goed voor hem is, het zoete ervan. Maar zodra het oog knippert, zich sluit of boos op hem neerziet en hem gaat hinderen, tracht hij te ontkomen aan de alziende blik. Maar hoe maakt hij het uit met een geloof waar hij niet meer door wil worden aangekeken. Waar laat de afvallige zijn geloof. Waar de deuren die openen voor liefde, kennis en waarachtigheid wanneer ze gesloten blijven. Waar de beschutting die beklemming wordt. Waar de banden die het begeven wanneer ze als dode ballast aan het lichaam hangen. Waar de oude lampen die enkel nog roet verspreiden. Dan moeten er plaatsen zijn waar niemand kijkt, waar men de spot niet op zich weet als men in verdoolde toestand uitbant waar men eens in geloofde. Dan moet er braakland zijn, waar men zijn paradijzen dumpen kan.