Zij stonden aan de waterkant. Hij drukte zacht haar bleke hand. Van verre loeide de sirene. Geheel door droefheid overmand dacht zij hoe 't wijde watervlak het allermooiste in haar brak. Bewond'rend keek zij op tot hem en sprak vol droefenis, met tranen in haar stem: Och waarom gaan wij voorgoed van elkander. Jij weet niet hoe ik in stilte lijd. Want in mijn leven komt nooit meer een ander en ik blijf hier in mijn eenzaamheid. Een zeemanshart roept alleen om de wijde oceaan en van beloften aan wal daar denkt een zeeman niet meer aan. Och waarom gaan wij voorgoed van elkander, blijf ik alleen in het leven staan. (auteur onbekend)