Verzonken


Ik droomde, ik ging niet dood, maar kwam in Hiernamaals. Nadat ons schip in de Gouwe was gezonken werden we door een diep bedroefde vrouw binnengelaten. We stonden voor een smalle deuropening, waarachter het donker was. Voortbestaan leek daardoor onzeker. Dat moest opnieuw. Nu stond er een glimlachende, grote, blonde man. Door zijn verschijning verliep de doorstroom plotseling soepel. We kwamen terecht in een labyrint van ongeverfde, zuinig in elkaar gezette houten barakken, gangen en lokalen. Er heerste een streng gereformeerd regime dat ons regeerde en ons met allerlei regels trachtte op te voeden. Ik had daar een droom en zocht een plaats in afzondering om hem te noteren. Maar ik werd niet met rust gelaten. Ik moest opstaan tegen onderdrukkers, vrienden én geliefden om mijn droom te beschermen, en ontsnapte uit het labyrint. Buiten vond ik een open, vrije wereld, van een schoonheid en souplesse, ongekend. De geest kwam in transporten luchtkolommen voorbij. Liefde was in het licht dat ons omringde, en zodra wij naar iemand keken of iemand keek naar ons, steeg het bewustzijn, als in een peilglas van onbevattelijke lengte, waardoor wij vervuld raakten, en tot onszelf werden gebracht. Maar het regime bleef mij claimen. In een klein, benauwd toilet werd ik teruggevonden. Verzet had geen zin, mijn verzet tegen hen noch hun verzet tegen mij. Wij waren immers voor andere wegen voorbestemd. Om hen de tijd te geven dat in te zien bood ik hen nog een ronde te drinken aan.